Aanvullende behandeling

In veel gevallen is nog een bijkomende behandeling na de heelkunde noodzakelijk. Dit wordt adjuvante behandeling genoemd. De adjuvante behandeling voor borstkanker kan bestaan uit chemotherapie, een hormonale behandeling of een immunologische behandeling. Meestal wordt een combinatie van bovenstaande toegediend. Het doel van een adjuvante behandeling is circulerende kankercellen te vernietigen en zo te verhinderen dat ze zich in organen gaan nestelen en aanleiding geven tot uitzaaiingen. Deze circulerende kankercellen zijn met geen enkel onderzoek zichtbaar te maken, maar op basis van een aantal kenmerken van de borstkanker kan de kans op herval geschat worden. Uit grote internationale klinische studies weten we dat chemotherapie en hormoontherapie de kans op herval en overlijden door borstkanker met 30-40% kan doen dalen.

 

Adjuvante hormonale therapie

Bepaalde tumorale cellen bevatten receptoren voor de geslachtshormonen oestradiol en progesterone. Het toedienen van deze hormonen aan kankercellen kan de groei van deze cellen stimuleren. In Vlaanderen zijn bij de menopausale vrouwen met borstkanker meer dan 80 procent van de tumoren hormoongevoelig. Het afschermen van de borstkankercellen van de hormonen vermindert de groei van deze tumoren. Vandaar dat vrouwen met een hormoon gevoelige tumor in de nabehandeling vaak ‘antihormonen’ moeten nemen. Deze antihormonen verstoren de werking van de hormonen en leiden op die manier tot verhoging van de kans op een succesvolle behandeling. Dit houdt concreet in dat de kans op overleven beter is bij inname van deze antihormonen. Deze behandeling bestaat steeds uit tabletten, en moet gedurende minstens 5 jaar worden ingenomen. Er zijn nieuwe aanwijzingen uit grote klinische studies dat langere inname zelfs nog beter is. Er bestaan verschillende mogelijkheden van hormonale behandeling:

Uitschakeling van de eierstokfunctie: Dit kan uiteraard alleen bij premenopausale vrouwen, aangezien in de menopause de eierstokfunctie op een natuurlijke manier uitvalt. Men kan de eierstokken uitschakelen door heelkundige wegname ervan, door bestraling of door het toedienen van medicijnen.


Blokkeren van de invloed van hormonen op de borstkankercel: Door het blokkeren van de hormoonreceptoren in de cel door middel van anti-hormoon zoals tamoxifen zal de groeistimulerende werking van vrouwelijke hormonen niet meer kunnen doorgaan. Tamoxifen betekende een doorbraak in de behandeling van borstkanker. Het doet de kans op herval dalen met 45% en wordt over het algemeen goed verdragen.


Verhinderen van de omzetting van androgenen naar oestrogenen: Een andere bron van oestrogenen is de omzetting van androgenen (mannelijke hormonen) naar oestrogenen in de perifere weefsels van het lichaam (bvb. spier en vet), onder invloed van een specifiek aromatase-enzyme. Door middel van de zogenaamde aromatase-inhibitoren kan men deze omzetting verhinderen, zodat er geen oestrogenen meer gevormd worden. Dit kan alleen gebruikt worden bij postmenopausale vrouwen, waar de eierstokfunctie reeds is uitgevallen.

Over het algemeen wordt een hormonale behandeling goed verdragen. De nevenwerkingen worden voornamelijk veroorzaakt door wegvallen van de vrouwelijke hormonen: Warmteopwellingen, spier- en gewrichtspijnen, gewrichtsstijfheid, depressies, lusteloosheid, sexuele problemen (zoals vaginale droogte, pijn bij betrekkingen, verminderde libido), een licht toegenomen stollingsneiging met hierdoor een verhoogd risico op trombo-embolieën en een licht verhoogd risico op baarmoederhalskanker en botontkalking.

 

Adjuvante chemotherapie

Chemotherapie wordt veel gebruikt bij borstkanker. Doorgaans wordt deze behandeling intraveneus ( via een infuus) toegediend, alhoewel de laatste jaren ook in sommige gevallen een behandeling met tabletten mogelijk is. De kuren worden op regelmatige tijdstippen herhaald, bijvoorbeeld om de 3-4 weken, voor een bepaald aantal cycli ( bijvoorbeeld 6). Het is van belang dat de juiste dosering op het juiste tijdstip wordt toegediend. Hiervoor wordt de dosis berekend aan de hand van het lichaamsoppervlakte van de patiënt, die bepaald wordt door uw lengte en gewicht. Bij sterke gewichtsveranderingen zal de dosis dan ook worden aangepast. Meestal wordt een combinatie van verschillende cytostatica of chemotherapeutische middelen toegediend. Deze worden zo bepaald dat de efficiëntie van combinaties verbetert, zonder de nevenwerkingen al te veel te verhogen.
Chemotherapie of cytostatica werken in op het genetisch materiaal van de kankercel en verhinderen aldus de celdeling en tumorgroei. Aangezien chemotherapie voornamelijk werkt op sneldelende cellen, zal er ook een invloed zijn op andere sneldelende lichaamscellen en zo aanleiding geven tot een aantal bijwerkingen. Gezonde lichaamscellen hebben echter een groter herstelvermogen dan kankercellen, zodanig dat het netto-effect van chemotherapie een vermindering is van het tumorvolume en een herstel van de beschadiging aan gezonde cellen.

De voornaamste bijwerkingen van chemotherapie zijn:

  • Misselijkheid en braken
  • Onderdrukking van het beenmerg
  • Haarverlies, nagelafwijkingen
  • Mond- en oogslijmvliesontsteking
  • Lokale reacties op de plaats van inspuiting
  • Vermoeidheid
  • Invloed op de vruchtbaarheid en menstruatie
  • Blaasontsteking en urineverkleuring
  • Specifieke orgaantoxiciteit t.h.v. het hart, de longen, de lever, de nieren, het zenuwstelsel. Deze toxiciteit is zeer specifiek voor een beperkt aantal producten. Uw arts zal er steeds rekening mee houden in functie van uw lichaamsoppervlakte, uw algemene toestand en onderliggend lijden. Soms zal het nodig zijn om dosisverminderingen door te voeren of bepaalde producten uit het schema weg te laten.

Chemotherapie is voor velen toch een lastige behandeling. De bovenvermelde nevenwerkingen komen gelukkig niet altijd, niet bij iedereen, en niet steeds in erge mate voor. Bovendien zijn er de laatste jaren heel wat nieuwe cytostatica op de markt gekomen die minder nevenwerkingen vertonen alsook geneesmiddelen die de nevenwerkingen goed kunnen behandelen of zelfs voorkomen. Het is van belang dat elke nevenwerking met de behandelend oncoloog besproken wordt. Dikwijls kunnen enkele eenvoudige maatregelen reeds helpen om de chemotherapie beter verdraagbaar te maken.

 

Neoadjuvante chemotherapie


Neoadjuvante of preoperatieve chemotherapie wordt gebruikt bij grote borsttumoren, waar borstsparende heelkunde in eerste tijd niet mogelijk is. De chemotherapie wordt in plaats van na de operatie, nu voor de operatie toegediend. Een voordeel hierbij is dat de kans op latere borstsparende ingreep groter wordt. Daarnaast zal ook de neoadjuvante chemotherapie ook circulerende kankercellen doden, en dus de kans op herval doen dalen. Over het algemeen is chemotherapie na de operatie dan niet meer nodig.

 

Postoperatieve radiotherapie

 

Na borstsparende heelkunde, of in geval van borstamputatie met verhoogd risico op herval wegens aangetaste lymfeklieren of grote tumor, wordt radiotherapie of bestraling toegediend. Radiotherapie is een lokale behandeling die de kans op herval zal verminderen. Indien de okselklieren waren aangetast, wordt ook de oksel mee bestraald. Deze behandeling wordt dagelijks gegeven en is sedert enkele jaren verminderd in duurtijd van de vroegere 5-7 weken naar 3-4 weken behandelingstijd. Inmiddels werd immers duidelijk aangetoond dat er veilig een hogere dosis per keer kan worden gegeven.

Door de verbeterde technieken zijn nevenwerkingen zoals verbranding zeer sterk verminderd. In minder dan 10% van de patienten wordt nog ‘vochtige desquamatie’ ofwel verbranding gezien. Bovendien gaat dat over kleine regio’s, heel anders dan de uitgebreide verbrandingen van vroeger. Algemene vermoeidheid, roodheid van de huid en zwelling van de borst kunnen nog optreden. Na enkele maanden tot jaren na radiotherapie kan er fibrose optreden, waardoor de borst vaster aanvoelt en soms in volume verkleint. Ook blijvende huidverkleuring kan soms optreden. Net zoals heelkunde van de oksel, verhoogt bestraling van de oksel de kans op lymfoedeem van de arm.

 

Adjuvante immuuntherapie


Bij 20-25% van alle borstkankerpatiënten is de HER-2/neu of c-erbB-2 receptor aanwezig op de tumorcellen. Blokkeren van deze receptor dmv een antilichaam, trastuzumab, veroorzaakt een remming van de celgroei en celdood. Trastuzumab geeft een daling van de kans op herval van 50%. Deze behandeling geeft weinig nevenwerkingen, aangezien het aangrijpingspunt specifiek op de kankercel gelegen is.
Op dit moment zijn er meer types van immuuntherapie op komst maar deze bevinden zich momenteel in de onderzoeksfase.